Het verloren meisje uit Hüten

star goldstar goldstar goldstar goldstar greyFemaleMale
8 Hoofdstuk - 10.188 woorden - Ontwikkeld door: Lizzel4ever - Geactualiseerd op: 2017-12-14 - Ontwikkeld op: - 189 keer opgeroepen- Het verhaal is voltooid

Achterflaptekst
Arwen is een 15 jarig meisje dat na een schipbreuk op een onbewoond eiland aanspoelde. Daar moest ze overleven van bananen en zelf gefilterd water. Maar dan hoort ze opeens een vreemd geluid uit de andere kant van de jungle… Bovendien komt ze samen met een vreemd iemand op een vreemd schip, met een nogal vreemde bemanning… Zal ze overleven? Komt ze ooit nog thuis?

1
Water. Overal water. Geen lucht. Ik probeerde naar boven te zwemmen maar het voelde alsof iets of iemand me naar beneden trok. Het laatste wat ik zag was dat mijn beeld zwart werd. Langzaam kwam ik weer bij mijn positieven. Ik lag in het zand. Ik kuchte en ging rechtop zitten. Ik staarde voor me uit, de oceaan was prachtig helder blauw. Het zand was warm en zacht. En toen ik me omdraaide zag ik de jungle. Een kist spoelde aan op het strand. Ik maakte hem snel open in de hoop dat er voedsel of drinken in zat, of op zijn minst iets bruikbaars. Helaas, er zaten boeken in, maar daar had ik niks aan, de bladzijdes waren immers helemaal nat. Zwaar teleurgesteld stond ik op. Ik schopte in het zand. Ik kon wel huilen. Toch niemand zou het horen op een onbewoond eiland. Alhoewel? Was het überhaupt wel een onbewoond eiland? Ik vond dat ik het eiland moest onderzoeken en verkennen, het werd namelijk al schemerig. Aangezien ik de weg in het oerwoud toch niet wist besloot ik gewoon maar rechtdoor te gaan. Ik had nog geen 3 minuten gelopen of ik was al verdwaald. Ik raakte in paniek. Hoe ging ik deze nacht overleven? Na een tijdje door de wir war van planten en bomen te hebben gewandeld begon mijn maag te rammelen. Ook dat nog. Ja hoor, honger, dat kon er ook nog wel bij. Ik had mezelf eigenlijk voorgenomen om eerst een slaapplek te vinden, maar nu moest ik even wat eten vinden. Wat moet ik eten, wat moet ik eten? Ik keek goed om me heen of ik iets eetbaars zag. Eh… tja… Ik wenste dat er zomaar een pak vlaflip en koekjes uit de lucht zou vallen. Maar ja, dat zou vast niet gebeuren. Hè! Wat waren dat? Ik zag een struikje met bessen. Van zo’n rode, sappige bessen. Ik plukte verlekkerd een handjevol bessen. Mijn handen zagen meteen rood van het sap. Lekker. Ik zat best snel vol. Ik liep verder. Maar ik begon me al snel misselijk te voelen. Mijn handen begonnen te tintelen en ik kreeg buikpijn. Burbbb! Ik voelde me helemaal belabberd. En om het compleet te maken werd begon alles om me heen ook nog te draaien. En boem, ik lag op de grond en mijn zicht werd wazig. Toen ik weer bij positieven kwam stond ik meteen op. Waardoor was ik nou zo ziek geworden? natuurlijk…. De bessen. Het waren giftige bessen geweest, geen eetbare. Pfff, ik zuchtte. Gelukkig was alles weer op zijn pootjes terecht gekomen. Hoe lang zou ik eigenlijk buiten westen geweest zijn? Ik keek omhoog, op naar de hemel. Hij was pikzwart, met een heleboel sterren. Het was prachtig. Maar het moest dus wel zo ongeveer middernacht zijn. Ik moest nog een schuilplaats vinden, althans, iets wat een beetje bescherming bood tegen het weer, roofdieren en kou. Niet dat het koud was, en ik had nog geen enkel dier gezien ( buiten de insecten en kleine beestjes op de grond en de bladeren ) maar ja, je weet maar nooit. En ik begon zo langzamerhand behoorlijk moe te worden. Ik liep vermoeid door. De dag was erg intensief voor me geweest en ik was doodop. Op een gegeven moment zag ik een gigantische vulkaan. Ik verwonderde me erover dat ik hem niet had gezien vanaf het strand, wat betekende dat ik een heel stuk gelopen had. Maar misschien kwam het gewoon doordat het me niet zo was opgevallen. Maar ik had nog steeds geen slaapplek. Ik dacht diep na. Het zou nu zo ongeveer 1 uur moeten zijn, en waarschijnlijk ging ik het eerste uur geen geschikte plek vinden. Bovendien zou ik morgen weer veel moeten lopen en doen dus als ik deze nacht niet zou slapen zou ik morgen ook kapot zijn. Ik besloot om niet verder te zoeken maar om gewoon hier naast de vulkaan te gaan slapen. Het was tenminste een open plek dus zaten er minder insecten. Wel wilde ik een vuur maken, voor de warmte en om toch eventuele roofdieren op afstand te houden. Maar hoe maak je een vuur? Ik had werkelijk waar geen idee. Wacht eens even, ik had ooit geleerd dat je 2 stokjes heel snel tegen elkaar aan moest rollen. Het valt te proberen... dacht ik. Stokjes waren er toch genoeg in dit oerwoud. Ik koos 2 lange stokjes. Verder wat droge bladeren. Na een paar minuutjes hellen met de stokjes kwamen er vonkjes. Bij een grote vonk liet ik de stokjes in de bladeren vallen. De vonk sprong meteen over in een vuurtje. Ik wapperde wat met mijn handen en het vuurtje werd een mooi vuur. Ik was erg trots. Ik ging liggen naast het vuur en rolde me op. Heerlijk. Ik was zo moe dat ik vrijwel meteen in slaap viel. Ik sliep als een roos. Onder de mooie sterrenhemel. De volgende ochtend werd ik vroeg wakker. Althans, dat dacht ik, want ik had geen klok of horloge, maar aan de lucht valt veel te ontdekken. De lucht was namelijk erg rood, wat betekende dat het waarschijnlijk rond 6 uur was. Ik had kort geslapen, maar wel heel diep en rustig geslapen. Ik had het ook echt nodig gehad. Het vuur was gedoofd. Dat had vrijwel zeker de wind gedaan. Ik stond op, want mijn maag rammelde en ik moest ontbijten. Geen bessen meer, zei ik grinnikend tegen mezelf. Misschien waren er dieren waarop ik kon jagen, of misschien kon ik vissen. Maar dat had ik allebei nog nooit eerder gedaan. Ik liep naar het strand, althans, de rand van de jungle. Ik nam mezelf voor om tijdens het wandelen bepaalde bomen of planten die erg opvallend waren te onthouden, zodat ik op de terugweg naar mijn “kamp” de weg nog wist, want als ik de boom/plant dan zag, wist ik weer waar ik was. Ik zag genoeg vreemde planten en bloemen. Zelfs een plant met scherpe stekels die rood, oranje en geel gekleurd waren. Ik sloeg ze allemaal op in mijn hoofd. Na een tijdje zag ik tussen de bomen het mooie witte bounty strand. Al kon ik een heel boek schrijven over dit prachtige witte zandstrand met z’n kleurrijke zee, dan nog kon ik niet alles kwijt. Ik liep verder. Wat me meteen op viel waren de bananenbomen en de palmbomen met kokosnoten. Deze kon ik eten! Ik liep naar een bananenboom en kwam tot de conclusie dat het niet zo simpel was als het leek. De boom was veel te hoog ; ik kwam niet bij de bananen! Maar ik had honger, dus was er maar één optie. Ik sloeg mijn armen om de palm en hield me vast. Toen mijn benen. En zo hing ik helemaal onder aan de stam. En ik kwam niet hoger. Het zag er vast heel belachelijk uit. Ik kwam gewoon niet omhoog. Met mijn voeten duwde ik me af aan de ruwe stam. Gelukt! Ik was boven. Ik trok met een hand aan de bananentros, maar daardoor verloor ik mijn stevige greep en viel ik uit de palmboom. Boem! Daar lag ik, in het zand. Gelukkig had ik de techniek nu door en in no time zat ik weer in de boom. Maar dit keer was ik voorbereid. Ik had een mes in de ene hand. Een scherp stuk wrakhout van de kist die ik op de eerste dag open had gemaakt, je weet nog wel, die met de boeken. Met dit scherpe stuk sneed ik de bananentros van de boom. Ze stortte naar beneden en vielen met een plof in het zand. Joepie! Ik had eten. Ik kroop uit de palm en ging in het zand zitten. Zo, ik haalde de eerste banaan uit zijn schil. Jammer genoeg was hij nog een beetje groen, en niet helemaal rijp, maar toch smaakte het wel prima. Nu had ik er nog 4 over. Ik twijfelde, ik had nog best honger, maar ik wilde ook wel wat overhouden voor vanmiddag en morgen. Uiteindelijk at ik er nog eentje op. Puur voor de honger. Toen ik enigszins vol zat besloot ik te gaan zwemmen. Dat had ik nog niet gedaan. Ik hield mijn kleding aan, het was immers toch enkel een gescheurd tanktopje en een kort broekje. Dus rende ik het heldere water in. Meteen viel alle last van mijn schouders af. Het water was koel, maar niet koud. Het was heerlijk. Ik duwde mijn hoofd onder water, en ik was helemaal verrukt. Nog nooit had ik zoiets moois gezien. Een prachtig kleurrijk koraalrif en allemaal tropische vissen eromheen. Ik probeerde ze aan te raken, maar ze zwommen meteen weg. Na een tijdje werden mijn benen moe. Ik zwom naar de kant en stapte uit het water. Daarna rolde ik door het zand. De korreltjes bleven aan mijn natte lijf plakken. Ik zuchtte diep en haalde mijn hand door mijn plakkerige wilde haar. Ik kreeg opeens een vlaag van dorst. En dat was ook het moment dat ik besefte dat ik al sinds gisterochtend niks meer gedronken had. Maar hoe krijg je op een onbewoond tropisch eiland water? Het water van de zee is te zout. Toen dacht ik aan een boek wat ik ooit eens had gelezen. Daarin stond hoe je water zuiverde. Ik had tijdens mijn wandeling door de jungle een riviertje gezien. Misschien kon ik dat zuiveren en het dan drinken. Ik liep in loopmars naar het riviertje ( althans, waar ik dacht dat het riviertje lag ).

commentaren (0)

autorenew